Artikelen

Artikelen en publicaties over de geschiedenis van Sittard-Geleen.

In memoriam Math Vleeshouwers, bekwaam en integer onderwijsman veelzijdig en productief historicusdoor Harrie op den Kamp
Klik hier om het artikel te lezen

Toon Hermans’ Levensboek heeft hoog Sittard-gehalte – door Harrie op den Kamp
Klik hier om het artikel te lezen

In memoriam Toon Hermans – door Harrie op den Kamp
uit: Weekblad "De Trompetter", wo.3 mei 2000

Klik hier om het artikel te lezen

In memoriam dokter Funs Winters, arts en kunstenaar – door Harrie op den Kamp
uit: Weekblad "De Trompetter", wo.21 juni 2000

Klik hier om het artikel te lezen

In memoriam Herman Veugelers, enthousiast onderwijsman, kritisch zanger en gedreven theatermaker – door Harrie op den Kamp
uit: Weekblad "De Trompetter", wo.2 augustus 2000

Klik hier om het artikel te lezen

In Memoriam Math Vleeshouwers

bekwaam en integer onderwijsman
veelzijdig en productief historicus

door Harrie op den Kamp
uit: Weekblad "De Trompetter"

Vijf en een half uur uur was het nieuwe jaar 2004, oud, toen Math Vleeshouwers, leraar en coördinator van Trevianum in Sittard, schrijver-historicus, in zijn woning te Munstergeleen overleed. Hij werd 61 jaar. Een slopende ziekte heeft hem in acht maanden tijd geveld. Tot het einde toe heeft Math zich verzet tegen het onvermijdelijke, met “een sprankje hoop”, zoals hij het zelf noemde. Bij de kerst- en nieuwjaarswens voor 2004 aan zijn vrienden voegde hij deze goede raad die hem typeerde:

Blief in 2004 nao de leichpuntjes sjpienze.
Nemes van uch zal kreuspelik zitte te kniesje en knotere
en zal ouch neit urges euver zitte te sjnotere.
Eine zónnige kiek op ’t laeve is veur de wieze.

Math was met nog zo veel bezig en had nog zo veel plannen. Machteloos stonden zijn familie en vele vrienden, collega’s en kennissen de laatste maanden bij zijn ziekbed en ze konden niet geloven dat zo’n werkzame, actieve, creatieve en kundige man langzaam het leven moest loslaten.
“Integer” en “bescheiden” zijn eveneens woorden die op Math van toepassing zijn. Nooit is hij rancuneus geweest, ook als hem onrecht was aangedaan. Hij ging door met werken in talrijke commissies die zoveel tijd vroegen. Hij deed dit met veel plezier, vooral om anderen te plezieren. “Gaer gesjreve en gaer gedaon” , was een vaste uitdrukking van hem.

Onderwijsman

Zijn verdiensten voor het onderwijs zijn onmiskenbaar. Hij was onderwijzer in Limbricht vanaf 1963, leraar Nederlands aan de Nic.Beckers Mulo en aan het Serviamlyceum te Sittard, sinds 1974 coördinator bovenbouw atheneum/gymnasium.
Op Trevianum vierde hij op 31 oktober j.l. zijn veertigjarig onderwijsjubileum. Hij onthulde toen in de kapel de mozaïek uit het oude Serviam, de school die hij met zoveel liefde had gediend. Immers Serviam betekent “Ik zal dienen”. Dienstbaar zijn in alle opzichten. Dat was Math voor zijn school. Hij deed niet alleen wat zijn werk was, ook voor buiten- klassikale activiteiten was hij de aangewezen man. Hij bewaakte het niveau en de continuïteit van de schoolkrant, hij zorgde jarenlang voor een sprankelend motto van de carnavalsgroep: “mòt kènne”, en was voorzitter van de feestcommissie bij jubilea en afscheid van collega’s. Hiervoor maakte hij artistieke foto-albums. Math initieerde “Serviam Musiceert”, waarbij jaarlijks jonge talenten van de school hun podiumdebuut maakten. Spraakmakend waren zijn toespraken bij het uitreiken van de eindexamendiploma’s waarbij hij iedere leerling persoonlijk en humoristisch typeerde. De hele studieloopbaan van iedere gediplomeerde had hij gevolgd en hij gaf daarvan een uitvoerig en positief verslag.

Geschiedschrijver

Ongeveer twintig jaar lang heeft Math stukjes geschreven voor het weekblad De Trompetter. Iedere week leverde hij een bijdrage voor zijn veel gelezen rubrieken Stadsbeelden Sittard, Beelden uit Limbricht, Dorp rond drie torens en Beelden van scholen in Sittard. Deze bijdragen werden later uitgegeven in boekvorm door de stichting Charles Beltjens. De hoge oplage was altijd snel uitverkocht. Zijn laatste serie die hij helaas niet heeft kunnen voltooien had Beelden in Sittard als onderwerp. Hierin beschreef hij enthousiast en deskundig de talrijke beeldhouwwerken en hun makers die op de Sittardse pleinen en straten een plaats hebben gekregen. Vooral de kunstenaar Wim Rijvers bewonderde hij.
Koos Snijders, de vroegere editie-chef Sittard van de Trompetter, reageerde met verslagenheid op het bericht van het overlijden van Math Vleeshouwers. Hij noemt hem “ene fijne minsj” met een grote liefde voor de heemkunde. Vooral de enorme werklust van Math wekte bewondering en soms ook afgunst bij de mensen in zijn omgeving. Hij verschool zich nooit achter argumenten als “veel te druk” en “geine tie-et ”. Hij relativeerde zijn eigen prestaties met “ik werk maar wat in de marge”. Wij weten wel beter. Historici van naam prezen zijn artikelen als zeer leesbaar en van hoog niveau. De aanpak en de stijl van de heer Vleeshouwers werd vaker door professoren-geschiedenis als voorbeeld ter navolging genoemd.

Jaarboek

Talloos zijn de verenigingen op historisch en heemkundig gebied waarvoor Math zich als bestuurslid inzette. Hij was redactiesecretaris van het Historisch Jaarboek voor het Land van Zwentibold en schreef hierin vanaf 1984 jaarlijks een uitvoerig artikel over uiteenlopende onderwerpen. Vooral gaf hij veel aandacht aan zijn geboorteplaats Limbricht en de geschiedenis van het onderwijs. Zijn laatste artikel in het jaarboek van 2003 handelde over familiebedrijven in Sittard. Hij was van plan in een volgend deel hiermee verder te gaan.
Voor zijn dood voltooide hij nog een artikel over de legendarische Sittardse deken Louis Tijssen, over wie hij een interessant archiefstuk had gevonden. Dit zal in het volgende jaarboek een plaats krijgen. In het decembernummer van het driemaandelijks tijdschrift Sittards Verleden schreef Math een eerbetoon aan Willy Dols, de Sittardse taalkundige die in de Tweede Wereldoorlog omkwam. Hij maakte zich boos over de ophef in de regionale kranten m.b.t de naamgeving van de Willy Dolsstraat. De media en de goegemeente prefereerden de voetballer Willy Dullens i.p.v. Willy Dols. Hij schreef: “Succesvolle sporthelden mogen zich meer verheugen in de volksgunst dan kunstenaars of wetenschapsbeoefenaren”. De in zijn ogen overdreven belangstelling voor de sport is hiermee voldoende aangeduid. Overigens was hij steeds aanwezig op de sporttoernooien van zijn school en fietste hij dagelijks, ook door onweer en met tegenwind, zo nodig in regenpak, naar zijn school.

Salviuskerkje

Math is gisteren op het feest van Driekoningen begraven op het kerkhof in de nabijheid van zijn geliefd monumentaal Salviuskerkje en het kasteel van Limbricht. Voor het behoud en een goede bestemming van beide monumenten heeft hij zich jarenlang met succes ingezet in de Stichting Oude Salviuskerk Limbricht en de Stichting Kasteel Limbricht. Dertien jaar lang verzorgde hij met hart en ziel de muziekprogrammering in het kerkje waarbij artiesten van grote faam optraden. De programmering van 2004 had hij al rond tot de grote vakantie inclusief de persberichten.
Math had zitting in het hoofdbestuur van het LGOG en was oud- bestuurslid van de kring Sittard van het LGOG. Voor de werkgroep Open Monumentendag Sittard-Geleen publiceerde hij een vijftal zeer populair geworden gidsen langs oude en jonge monumenten in Sittard en een route langs “Monumentaal Groen in Sittard”. Indrukwekkend was zijn laatste toespraak, voor de vuistweg, op 13 september 2003 op de binnenplaats van hoeve Vliex te Papenhoven, waarin hij voor een talrijk publiek wees op het belang van de landelijke bouwkunst in de gemeente Sittard-Geleen.

Dialect

Tenslotte noemen we zijn bestuurslidmaatschap van de Stichting Historie Sittard, de Stichting Monografieën uit het land van Sittard, de Stichting Charles Beltjens en de Prof.dr. Timmersstichting.
Math had een grote liefde voor het dialect . Hij maakte teksten voor de Kerkelijke Vieringen van Veldeke Sittard en schreef voor de laatste kerstviering in het Salviuskerkje het verhaal De Sjtraol. Veel activiteiten zijn nog niet genoemd. In diverse historische periodieken zullen in de komende tijd nog een aantal aspecten van het leven en werk van deze beminnelijke en serieuze man belicht worden. Daarin zal ook genoemd worden het bijna voltooide werk over de geschiedenis van het ziekenhuis “De Goddelijke Voorzienigheid te Sittard” en de waardering die Math had voor het vele werk van de kloosterzusters in de gezondheidszorg en het onderwijs. Helaas heeft hij niet meer mee kunnen werken aan een boek over de geschiedenis van de Technische School “ Pastoor Jacobs”.

Voor zijn vele verdiensten en grote belangeloze inzet op velerlei terrein werd de heer Vleeshouwers in 1998 benoemd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau, een onderscheiding die hij zeer waardeerde. De oorkonde kreeg een mooie plaats aan de wand van de eetkamer.

Het overlijden van Math Vleeshouwers is niet alleen een enorm verlies voor zijn gezin en familie; ook binnen de kring van de Limburgse en Sittardse historici is deze sympathieke mens en onuitputtelijke kennisbron en inspirator van velen, in feite onmisbaar. Wij zullen pogen in zijn geest verder te werken, in de wetenschap dat het zonder Math Vleeshouwers een stuk moeizamer zal gaan.
Wij troosten ons met de zekerheid dat zijn nalatenschap in vele opzichten rijk en voorbeeldig is.

Toon Hermans' Levensboek heeft hoog Sittard-gehalte

door Harrie op den Kamp

Een groot deel van het laatste boek van Toon Hermans dat op 7 september 2001 in Grand Café Classique (het vroegere Ober Bayern) te Sittard is gepresenteerd, speelt zich af in de stad waar hij op 17 december 1916 om acht uur ’s morgens geboren is. Het is het Sittard van vóór de Tweede Wereldoorlog en direct daarna, vóór de cabaretier definitief naar Amsterdam vertrok. Toon Hermans dicteerde zijn herinneringen in zijn laatste levensjaar aan zijn secretaresse Mieke van Eeuwijk. Hij stierf op 22 april 2000 en werd in Sittard begraven bij zijn vrouw Rietje Weytboer, die tien jaar eerder overleed aan kanker.

Tussen dit Sittardse begin en einde heeft zich het rijke, vitale leven van Toon afgespeeld. Zijn Sittardse jeugdherinneringen hebben voor een groot deel betrekking op de bewoners, de huizen en de sfeer van de pittoreske binnenstad met de as Paardestraat, Markt, Limbrichterstraat, Voorstad, Brandstraat, Steenweg, station met uitstapjes naar de Putstraat, de Odastraat, het Park, de Kolleberg en het kerkhof. Het was de wereld rondom de Grote Kerk, waarin hij in zijn jeugd vele uren verbleef achteraan bij de uitgang onder het oksaal. Vooral de bewoners van de grootste Sittardse winkelstraat, de Limbrichterstraat, staan onuitwisbaar in Toons geheugen gegrift. Prachtig zijn de typeringen van speelgoedwinkelier Schutgens en zijn priesterzoon Jean. De etalages van de fotografen Zef Wilms ("d’n Tiptop") en Stassen op de Steenweg worden met veel gevoel voor karakteristieke details beschreven. Toon heeft een fotografisch geheugen en schildert met zijn pen zoals hij dat ook in zijn schilderijen doet, de kleurrijke Sittardse samenleving met veel rijk Rooms leven. Hij geeft een prachtige beschrijving van de gezellige Sittardse Markt die de wandelaar, komend uit de nauwe winkelstraten, een gevoel van openheid gaf. Hier speelde
zich het uitgaansleven af. Hier waren concerten van de beide harmonieën (de Philharmonie en St.-Joep)en zangkoren. Hier waren de kermissen en jaarmarkten. Hier begonnen de processies. Hier ontmoetten de jongelui elkaar. Het is wonderbaarlijk hoeveel jeugdvrienden Toon zich nog herinnert. Met hen vierde hij carnaval, speelde hij circusje en maakte hij zijn vele Sittardse revues.
Hier lag de basis van zijn latere shows waarmee hij Nederlands beroemdste entertainer werd.

Boeiend zijn de herinneringen aan zijn ouders en grootouders, zijn broers, tante Fieneke Dullens, de huizen waar hij woonde, zijn geliefden onder wie Gertie van Houdt, die hem in de oorlog ook in Amsterdam bezocht. Voor haar maakte hij in de oorlogsjaren ook het beroemde zelfportret dat momenteel in het Singer Museum in Laren is te zien. Overigens vermeldt hij dit niet in het Levensboek.

Met zijn egocentrische broer Fons, de latere journalist, een merkwaardig en controversieel figuur die evenals Toon een echte biografie verdient, was de verhouding niet altijd even hartelijk. Toon leed eronder dat zijn moeder duidelijk meer voelde voor de erudiete oudste zoon Fons, en zijn eigen optredens niet al te hoog aansloeg. Over zijn beide jongere broers Zef en Jan schrijft Toon niet veel. We weten uit andere bronnen dat hij altijd heel bezorgd is geweest voor zijn jongste broer Jan, die vaak depressief was. Hij stimuleerde hem om zich te bekwamen in de schilderkunst. Zelf schilderde Toon veel decorstukken en hij richtte etalages in bij de Sittardse middenstanders. Bekend is uit zijn jonge jaren het portret dat Toon schilderde van de legendarische deken Tijssen, een voorbeeldig priester die de armlastige weduwe Hermans financieel bijstond. De geboorteplaats van Tijssen is overigens niet Susteren, zoals Toon schrijft, maar Wessem. In Susteren was hij wel pastoor voordat hij naar Sittard kwam.

Als je erop let, is het opvallend hoeveel kleur Toon doet in zijn beschrijvingen. De potloodslijper in de vorm van een wereldbol en de in de zon schitterende melkbussen op het karretje van de melkboer op de Steenweg zijn hier prachtige voorbeelden van.

Wanneer Toon uit Sittard vertrokken is, blijven de herinneringen aan zijn geboortestad doorspelen tijdens zijn optredens in Carré en ook buiten Nederland: in Antwerpen, Wenen, Duitsland en Canada. In New York blijkt dat hij mentaal niet is opgewassen tegen de commerciële American way of live. Hij blijft in diepste wezen een Sittardenaar.

Onuitputtelijk is de inspiratie die hij in zijn Sittardse tijd heeft opgedaan. Toons carrière is zeker niet alleen beïnvloed door een vrolijke jeugd. Armoede en verdriet hebben een onuitwisbaar stempel gedrukt op zijn leven en optredens. Daarvan zijn in dit Levensboek genoeg voorbeelden te vinden. Hij heeft weten te overleven door een enorme creativiteit, vitaliteit en optimistische levensinstelling, waarmee hij diverse generaties Nederlanders heeft geboeid.

De laatste decennia van zijn leven is Toon op de spirituele toer gegaan. Hij komt dan tot meer diepgang in zijn levensvisie, die uitgesproken pantheïstisch wordt en aan Guido Gezelle doet denken. Ook hiervan getuigen heel wat passages in dit boek die soms wat zweverig aandoen. Menigeen die Toon alleen oppervlakkig kent als de grappenmaker van het theater, zal hierdoor minder worden aangesproken. Een ander bezwaar dat men tegen dit boek kan hebben is de wat springerige van de hak op de tak schrijftrant. Maar juist hierdoor legt hij onverwachte verbanden en krijgt het boek een eigenheid die typisch Toon Hermans is.

Toon noemt zijn boek uitdrukkelijk geen autobiografie, zoals onlangs vermeld in een van de Limburgse dagbladen. Hij heeft naar eigen zeggen een uitgesproken afkeer van jaartallen en datering van feiten en daarom is het voor de lezer soms moeilijk om feit en fictie te onderscheiden. Beide vloeien bij Toon wel eens in elkaar. Een toekomstige biograaf zal veel moeite hebben om uit de soms smakelijke omvorming van de werkelijkheid de historische feiten te reconstrueren.

De bewonderaars van Toon Hermans – en dat zijn er velen ook buiten Sittard – zullen in dit mooi uitgegeven levensboek heel wat herkennen uit zijn eerder verschenen Verhalen uit mijn Leven en zijn gedrukte dagboeken. Ook het reeds lang uitverkochte Portret van Toon bevat nogal wat herinneringen die terug te vinden zijn in dit Levensboek. Toch is er in Toons laatste boek veel nieuws te lezen en is de chronologische lijn wat duidelijker aanwezig dan in deze vroegere publicaties.
Sittardenaar Toon Hermans blijft een boeiend entertainer ook in zijn Levensboek, dat ongetwijfeld zijn weg naar een groot publiek zal vinden.

De uitgever is De Fontein.

In Memoriam Toon Hermans

door Harrie op den Kamp
uit: Weekblad "De Trompetter"

Het nieuws ging dinsdagmiddag 25 april als het spreekwoordelijk lopend vuurtje door Sittard en het hele land. Men belde elkaar op; mensen hielden elkaar aan op straat: "Heb je ’t al gehoord. Toon is dood".
Iedereen kent Toon Hermans. Ook de jongeren die via hun grootouders en ouders hebben kennisgemaakt met de vele liedjes en conferences op video en c.d’ s. De meest gehoorde reactie was wel: "Wat heeft Toon ons laten lachen". Dan vertellen de mensen over de typetjes en uitspraken van Toon die door hun herkenbaarheid nationaal gemeengoed zijn geworden: van de gehaktbal en het appelmoes tot de stoel van mijn zuster, de sinterklaasviering en de onverstaanbare verenigingsvoorzitter. Anderen denken meer aan de onsterfelijke liedjes over het ballonnetje en de Méditerranée, zijn carnavalsschlagers als Mien waar is mijn feestneus, Oukouk, Vraog d’n heer ‘ns wat er van mich wil drènke; allemaal van een niveau dat enkele meters boven Anton uit Tirol uitstijgt.
Dinsdagavond en de volgende dag werd de vaste programma’s van radio en t.v. opzij gezet en werden vele uren zendtijd besteed aan de onvergetelijke Nederlandse komiek. Ook de kranten en weekbladen besteedden meer pagina’s aan het heengaan van Toon dan een geliefd staatshoofd ooit zal krijgen. .Toon is een nationaal bezit.

Op zondagmiddag leek het graf op het Sittards kerkhof wel een bedevaartsplaats. De mensen bleven komen naar Toons laatste rustplaats die overdekt was met rode rozen, brieven en kaarten met ontroerende dankwoorden. Hierbovenuit stak een bloeiende tak met twee ballonnetjes, zachtjes wiegend in de wind Toon Hermans was al zaterdag 22 april overleden in het St-Antoniusziekenhuis te Nieuwegein. Het kan geen toeval zijn, dat hij onder de hoede van zijn patroonheilige St.-Antonius het aardse bestaan heeft verlaten. Wanneer Toon zijn naamdag vergat, werd hij daaraan wel herinnerd door zijn vele bewonderaars en Toonfans. Ook het beeldje van Antonius had een plaats in zijn huiskamer.
Op 17 december 1916, drieëntachtig jaar geleden, kreeg Toon in de Grote Kerk Sittard de doopnamen Antoine Gerard Theodore. We weten dat Toon in zijn meer dan vijfentwintig Sittardse jaren veel plezier maar ook veel verdriet heeft gekend. We kennen het verhaal van de droevige neergang van de bemiddelde Sittardse familie Hermans-Dullens die in 1924 moest vertrekken uit de chique villa aan de Parklaan en via een huis aan de Rijksweg -Zuid en de Begijnhofstraat in een kleine huurwoning aan de Odastraat terechtkwam. Toons vader overleed in 1928 en ma bleef achter met de vier jongens Fons, Toon, Zef en Jan. Met veel moeite heeft ze de eindjes aan elkaar geknoopt. In de crisistijd was er soms geen geld om de bakker te betalen. Maar er was ook veel plezier waardoor het mogelijk was te overleven. Toon was al vroeg een kei in het imiteren van bekende Sittardenaren. De deken en de kapelaan, bekende Sittardse middenstanders. Hij wist ze allen meesterlijk te pakken met hun eigenaardigheden. Lol trappen dat kon hij met zijn vrienden Nand Willems, Chritje Pfennings, Karel Hendriks, Wil Heuts en zoveel anderen. Die echte Zittesje lamaekerie over van alles en nog get en niks. Hier begon het: het geouwehoer rond middernacht op de Sittardse Markt van het clubje dat zich Binz bond noemde. Het jongleren met een zakdoek en een stoeltje en een eigen taaltje, volgens Toon de basis voor zijn latere goochelacts. Waarom de naam Binz? Och, zaomer get. Ook op hun eigen bierglazen stond Binz en geen mens begreep er wat van.

Nog niet eerder gepubliceerde foto van Toon Hermans met zijn beste vriend Nand Willems. Het bijschrift betreft de Binz bond, een tot op heden "onbekende" club van Sittardse jongelui. Zij kwamen samen bij Tina op de Markt te Sittard, het café van Wil Köhlen. Toon schreef de tekst op de foto in 1963 bij de uitreiking van de zilveren eremedaille van de stad Sittard .Nand Willems overleed in 1979, 61 jaar oud. Foto in bezit van Gertie Willems-Vroemen, Sittard.

Dan komen in januari 1935 de eerste Sittardse revues met mijnheer Beckmann. Deze was gehuwd met Anneke Könings van het café Notre Dame op de Oude Markt. Met deze twee trad Toon ook afzonderlijk op tijdens feestavonden en partijen. Meer dan 17 verschillende revues, het merendeel in samenwerking met de carnavalsvereniging De Mander, heeft Toon in Sittard en omgeving opgevoerd. De zeer muzikale Wilhelm Reinhold Beckmann (hij overleed op 3 februari j.l. 98 jaar oud) was zijn eerste pianist en leider van de dansgroep de Mander/ijntjes. Men had ontzettend veel plezier, maar er werd ook professioneel geoefend en geprogrammeerd. Dit was veel meer dan "zoa mer get". Toen de cabaretgroep eenmaal naam kreeg, was elke voorstelling uitverkocht. Men trad op in Ober Bayern, Luxor, Forum en De Zwaan (de huidige zaak van Gér Pfennings aan de Brandstraat). Ook in het Roxytheater te Geleen en in danszalen van de omringende dorpen werden uitvoeringen gegeven. In deze jaren had Toon verkering met Gertie van Houdt, de dochter van een muziekleraar uit de Paardestraat. Met haar trad hij op in het weing bekende Racket-Cabaret waarmee men in de eerste oorlogsjaren veel Zuid-Nederlandse plaatsen bezocht. Gertie woont thans in Michigan (V.S.) en heeft mooie herinneringen aan haar jaren met Toon. "Waat höbbe veer väöl gelache same", zegt ze nog in onvervalst Sittards dialect. Ook Grevenbichtenaar Chel Savelkoul was als zeventienjarige toneelknecht verbonden aan dit gezelschap van Toon. Hij heeft naar eigen zeggen veel geleerd van clown Toon.

Och, er is zoveel meer te vertellen over Toon en Sittard, zijn familie en zijn vrienden. In november van het vorig jaar verscheen het kloeke boek Sittardse Cultuurdragers 1299-1999, waarin de Sittardse jaren van Toon, de enige nog levende cultuurdrager. in een bijdrage van veertig pagina’s zijn beschreven. In een nog te verschijnen artikel van het Historisch Jaarboek van Zwentibold dat op het einde van dit jaar uitkomt, zullen nog nieuwe gegevens verwerkt worden. Ook overweegt men een overdruk te maken van het aan Toon gewijde artikel in het boek Cultuurdragers.

Toon is landelijk beroemd geworden toen hij in Amsterdam optrad in diverse shows. Vooral na zijn eerste t.v.-optreden op 12 april 1958 kreeg hij massale populariteit. In 1963 speelde hij maandenlang in Carré met zijn legendarische one manshows telkens voor een uitverkocht huis. Hij werd Amsterdammer, woonde o.a. in Zandvoort, Bloemendaal, Hilversum, Maastricht en tenslotte in Bosch en Duin. Zijn Sittardse jeugdjaren kwamen in de meeste shows terug en zijn geboorteplaats kreeg mede door hem meer dan landelijke bekendheid. Ook in zijn vele boeken en gedichtenbundels zijn de jeugdherinneringen zeer talrijk. Ze zijn vaak gekleurd, maar ze blijven vermakelijk en getuigen van een grote heimwee naar zijn Limburgse geboortestreek die de bron was voor zijn creativiteit en inspiratie.

Toon had een leven dat in de schijnwerpers stond van publiciteit en de media. En dit had ook zijn schaduwzijden. Het was voor Toon soms moeilijk om serieuze en sensationele belangstelling te onderscheiden en dit gaf zijn reacties wel iets dubbels. Zijn uitgebreide contacten met de pers zorgden voor bekendheid en inkijk in zijn privé-leven. Daar was hij terecht niet altijd van gediend, maar het is wel de onvermijdelijke keerzijde van geld, roem en bekendheid. Ook ten opzichte van zijn geboortestad Sittard kwam die gespletenheid wel eens naar voren. Zo wees hij een uitnodiging af om het 750-jarig bestaan van Sittard in 1994 op te luisteren. En ook zijn afwezigheid bij de uitreiking van de Cultuurdragers in november 1999 werd niet door iedereen gewaardeerd. Van de andere kant was hij vereerd met de zilveren eremedaille van de stad die hem in 1963 werd uitgereikt en aanvaardde hij in 1984 – met gepaste ironie- het ereburgerschap van Sittard.

Sittard heeft zijn grote zoon nog geëerd met een straatnaam, de Toon Hermanssingel. Verder vinden we in Sittard het Toon Hermanscollege en het Toon Hermans Huis. Dit laatste werd door Toon geopend in juni 1998. Vooral de Toon Hermanshuizen in Limburg, inloophuizen voor kankerpatiënten en hun familie, zullen naast zijn werk de naam Toon Hermans in ere houden bij de mensen die hij zoveel plezier heeft gegeven en heeft geholpen hun kleine en grote zorgen even te vergeten.

In het licht van deze twee aspecten van zijn persoonlijkheid – de schijnwerpers en de teruggetrokkenheid- kunnen we wellicht de haat-liefdeverhouding tot Sittard en Limburg plaatsen. Misschien heeft hij zich willen afzetten tegen de misère, tegenwerking en verwijten in zijn Sittardse jeugdjaren. Ook de relatie met zijn eerste grote liefde Gertie van Houdt kan hierbij een rol hebben gespeeld.
Zo is het ook te verklaren waarom hij de ingetogenheid en stilte koos van de kapel van de H.Gemma aan de Leyenbroekerweg te Sittard. Over het waarom van zijn verering voor de heilige Gemma is al veel geschreven. Ook daarom koos de Sittardse Teun Hermans voor de soberheid van een eenvoudige uitvaartdienst, opgedragen door pastoor Gerard Oostvogel in de kapel van het Gemmaklooster. Hij wenste een begrafenis in stilte op het kerkhof aan de Lahrstraat. Hier rust zijn lichaam nu bij Rietje Weijtboer, met wie hij in 1946 in Amsterdam trouwde en meer dan veertig gelukkige huwelijksjaren beleefde.

Kort geleden stond ik met mijn studenten van de Pabo bij het graf van Toons vrouw op de Openbare Begraafplaats van Sittard. Hoe weinig beseften we toen dat het opschrift van haar graf twee weken later op het bidprentje van TOON HERMANS zou staan.

"Laat ons o Heer
haar/zijn leven in Uw handen leggen
en leer ons altijd weer
Uw wil geschiede zeggen"


bidprentje van Toon Hermans

In memoriam dokter Funs Winters, arts en kunstenaar

door Harrie op den Kamp
uit: Weekblad "De Trompetter", wo.21 juni 2000

Weer is een markant Sittardenaar heengegaan. Zaterdag 10 juni overleed op 93-jarige leeftijd in zijn woning in de Parklaan, huisarts en kunstschilder Alphons Antonius Henricus Winters. Na de uitvaartdienst vrijdag j.l. kenschetste mr. G. Houthakkers als voorzitter van de Alphons Wintersstichting de overledene. Hij werd van geboren Venlonaar op 29- jarige leeftijd Sittardenaar. Hij is echte laammaeker geworden. Op wens van dokter Winters zong zijn geliefd Sittards Mannenkoor Si-tard onder leiding van Piet Tobben toen de kist de kerk werd uitgedragen: "Sitterd allein". Een ontroerend moment voor de vele familieleden en Sittardenaren in de geheel gevulde Grote Kerk.
Alphons Winters was huisarts in Sittard van 1935 tot 1978. In 1935 had hij de praktijk overgenomen van dokter Joosten. Hij vond huisarts het mooiste beroep dat er bestaat. Hij was een bekwaam en progressief geneesheer. Ontelbaar zijn de anecdotes en verhalen over patiënten, medicijnen en collega’s. Als eerste gebruikte hij in Sittard direct na de oorlog penicilline dat hij bij een Amerikaanse generaal zeer tegen de regels, had weten los te krijgen. Dit nieuwe medicijn was alleen bestemd voor gewonde Amerikaanse soldaten. Hiermee heeft hij het leven van Toon Hermans gered die hij om de vier uur, ook ’s nachts, met een dikke naald het levensreddend medicament toediende. Tegen de Amerikaan had Winters gezegd dat Toon een gewonde verzetsstrijder was.


Zelfportret in acrylverf 1986

Navrant is zijn verhaal over het bombardement van Geleen in de nacht van 5 op 6 oktober 1942. Het leek of het laatste oordeel was aangebroken met enorme explosies. Toen Winters een kijkje ging nemen zag hij tientallen paarden, koeien en varkens over de Rijksweg richting Sittard rennen . Daarna volgden pikzwarte helemaal naakte mensen op de fiets. Ze raceten voor hun leven de Rijksweg af om te ontkomen aan de vuurzee. Het waren mijnwerkers die in paniek uit het badlokaal waren gerend. De dokter werd geroepen naar de Vouerweg waar een heel gezin onder het puin was bedolven. Er waren geen overlevenden. Ook lagen er overal dode dieren. Je moest Winters niet spreken van de goede oude tijd. Er was veel armoede en ellende. Zeker in de oorlog, toen hij een ondergedoken Joodse vrouw hielp bij de bevalling. Hilarisch is zijn verhaal over een ontharingsmiddel waarvoor hij weigerde een certificaat af te geven. Bij de proefpersoon hing de huid langs de benen. In die tijd was een huisarts vaak meer een sociaal werker die geen rekening hoefde uit te schrijven, want er was in veel gezinnen tijdens de crisistijd zelfs geen geld voor de eerste levensbehoeften.


Alphons Winters in zijn atelier (foto D.d.L.)

In 1978 deed hij de praktijk over aan zijn zoon en kon hij zich helemaal wijden aan zijn "echte beroep", de schilderkunst. Al tijdens zijn jeugd wilde hij schilder worden, maar zijn vader dwong hem min of meer om medicijnen te gaan studeren in Amsterdam. Hij verbleef vanaf 1929 enige jaren in Parijs waar hij een bohémienachtig bestaan leidde. Veel is er over zijn kunstenaarschap geschreven o.a. in de catalogi bij de talrijke exposities die er van zijn werk zijn gehouden. Hij was een veelzijdig kunstenaar zowel in zijn technieken als in de keuze van zijn onderwerpen. Hij had een voorkeur voor vrouwen en kinderportretten maar schilderde ook veel Sittardse stadsprinsen en kleurrijke landschappen. In 1949 richtte hij de vereniging van schilderende artsen op waarvan hij voorzitter werd. Meer dan vijftig jaar, was hij een actief lid van Pincet en Penseel. Met veel genoegen verleende hij zijn naam aan de Alphons Wintersstichting, die als doel heeft de amateur-schilderkunst te bevorderen. Zij steunt artistiek begaafde Limburgse kunstenaars o.a. door het inrichten van exposities. Winters kreeg de erkenning die hij verdiende en werd meermalen onderscheiden. Zo ontving hij de erepenning in zilver van de gemeente Sittard. In 1986 bij zijn tachtigste verjaardag verscheen een monografie over zijn leven en werk. Ook kreeg hij in 1980 de orde van de Gulden Humor, de hoogste Limburgse carnavalsonderscheiding. Van het Sittards Mannenkoor "Si-Tard"was hij vele jaren ere-voorzitter. Mr Houthakkers maakte na de uitvaartmis bekend , dat in Sittard een bronzen beeld van dr. Winters geplaatst zal worden. Dit zal waarschijnlijk komen te staan op het nieuwe Cultuurplein vóór de vernieuwde schouwburg.


Het bidprentje, door Winters zelf ontworpen

Winters beschikte over de gave van het woord. Hij was een boeiend causeur en schreef gedichten en schetsen. Hij wist steeds een gezellige, huiselijke sfeer te creëren. Charmant en ad rem. Tot zijn laatste levensjaar was hij geestig en onderhoudend. Een man van niveau. Toen ik hem bijna een jaar geleden bezocht , leidde hij me enthousiast rond in zijn atelier en schonk hij mij bij het afscheid het boekje met de treffende titel: WINTERS WONDERLAND. Dit was een publicatie naar aanleiding van zijn tentoonstelling b.g.v. 90ste verjaardag in het stedelijk museum Het Domein te Sittard. Hij schreef erin als opdracht: ARS LONGA, VITA BREVIS.(De kunst is lang, het leven kort). Het leven van dokter Funs Winters was lang en boeiend. Hij hield van het leven en de mensen. Hij eindigt zijn gedicht LEVEN van november 1991 met de regel: LEVEN IS HET MOOISTE DAT BESTAAT.
Kunstenaar en dokter Fons Winters neemt op zijn bidprentje ontroerend afscheid van ons met de uitbeelding van het eeuwige en oneindige van het leven en met de tekst VAARWEL FONS, WEES GELUKKIG!

In memoriam Herman Veugelers, enthousiast onderwijsman, kritisch zanger en gedreven theatermaker

door Harrie op den Kamp
uit: Weekblad "De Trompetter", wo.2 augustus 2000

Dinsdag 25 juli overleed onverwachts in het Academisch Ziekenhuis te Maastricht de Limburgse zanger en schrijver/ theatermaker Herman Veugelers (62). Na een goed verlopen operatie aan de halsslagader in mei leek Herman weer helemaal de oude. Met veel elan en vitaliteit werkte hij aan nieuwe plannen: een C.D., een roman, een regieopdracht. Aan zijn schier onuitputtelijke creativiteit kwam dinsdag in de vroege morgen abrupt een einde door een fatale hersenbloeding.

Hae haw Limburg gaer
En bleef Obbichtenaer
In dènke in woord en in daad

Uit het Ecrevisselied van Herman Veugelers

Jeugd en onderwijs

Herman Veugelers werd op 18 september 1937 geboren in het Maasdorp Obbicht "op ’t Hètje", de mijnwerkerskolonie aan de Bornerweg te Obbicht. Zijn vader was ondergronds mijnwerker, zijn moeder kwam uit een boerengezin. Beiden waren sterk maatschappelijk geëngageerd. Zijn afkomst heeft Herman nooit verloochend. Hij schreef liedteksten en toneelstukken over het zware leven van de "koempels" o.a. voor muziek-theater-produktie Es de wendj zich dreejt (1985) van het Limburgs Toneel. In Obbicht volgde hij de lagere school bij meester Beek die hem de ogen opende voor natuur en milieu. Dit werd -naast de mijnwerker- een tweede belangrijk thema in het werk van Herman. Hartstochtelijk kon hij te keer gaan tegen de aantasting van het landschap, m.n. heeft hij zich ingezet voor het behoud van de Graetheide en het plateau van Margraten. Het Graetheidecomité gaf de L.P. met zijn luisterliedjes Gaape taege eine bakoave uit. Herman volgde in Sittard de Ambachtsschool, werkte op verschillende fabrieken, en begon als 18- jarige een gymnasiale studie te Sittard, die hij voltooide op het kleinseminarie Rolduc. Hij studeerde filosofie, theologie en pedagogiek en was vormingswerker bij de arbeidersjeugd. In de jaren ’70 en ’80 was hij leraar pedagogiek en methodiek aan de Katholieke Opleidingsschool voor Kleuterleidsters "Clara Fey" (Bemelergrubbe) in Maastricht. Met veel plezier en inzet werkte hij aan deze onderwijsinstelling. Hij beschouwde deze periode als de mooiste van zijn leven. Het deed hem veel pijn toen in 1984 de KLOS opging in de PABO, de latere Hogeschool Maastricht. Hij vreesde niet ten onrechte dat "het jonge kind" zou ondersneeuwen in het nieuwe instituut en werd adviseur van een werkgroep van kritische kleuterleidsters. Toch was hij flexibel genoeg om ook op de Pabo de vernieuwing van het onderwijs te stimuleren. Hij werd zelfs een van de landelijke initiatoren van het nieuwe vak techniek. In Maastricht werkte hij meer dan 25 jaar als opleidingsdocent. Hier leerde hij de Maastrichtenaar door en door kennen. Met plezier schilderde hij het contrast tussen de Maastrichtse en Obbichtse mentaliteit in zijn toneelstuk Caspar en Sebil (1996). Herman was een echte onderwijsman. Hij wilde doceren, anderen laten meegenieten met wat hij waardevol en mooi vond in de kunst en in de natuur. Hij wilde zelf ook altijd leren. Zo verdiepte hij zich in de mogelijkheden van de moderne communicatiemiddelen vanaf de film tot de E-mail en wist deze functioneel toe te passen.


Herman Veugelers bij de opvoering van zijn toneelstuk "Wie ein vluch wilj gauwze" op 1 juli 1999 (Foto: Studio Janssen)

Zang en toneel

In zijn VUT-tijd bleef hij actief als kritisch zanger en toneelschrijver. In zijn woonplaats Limbricht deed men nooit vergeefs een beroep op hem wanneer men teksten nodig had voor een carnavalsrevue en voor de jaarlijkse toneelopvoering. Ook was hij vele jaren jurylid bij carnavalsoptochten. Weinigen weten nog dat Herman zijn podiumoptreden begon als buutreedner. Liefst driemaal behaalde hij de eerste prijs bij buutkampioenschappen. Later legde hij zich toe op het serieuze maatschappijkritisch werk. In zijn geboortedorp Obbicht had hij zijn hart verpand aan de toneelclub "Theater Op de Beek" , waarvoor hij diverse toneelstukken schreef. Deze vereniging was mede betrokken bij de uitvoering van zijn creatie WIE EIN VLUCH WILJ GAUWZE, in juli 1999 op de binnenplaats van het kasteel Obbicht. Kroonprins Willem Alexander was toehoorder bij de première waarbij Herman als troubadour diverse eigen liedjes zong. Ook had Herman een belangrijk aandeel bij het totstandkomen van het monument van de overtocht van Willem van Oranje over de Maas te Obbicht. Hij probeerde iedereen bewust te maken van de diepere betekenis van het gedenkteken en vol trots troonde hij iedereen die bij hem op bezoek kwam mee naar Obbicht. Het was voor hem tevens een vredesmonument. Van hem is het opschrift Gistere blif vandaag // tot alles is geheild. Deze poort van de vrijheid is nu ook een monument voor Herman Veugelers geworden.
Vermakelijk was zijn aandacht voor de rol van de reub in de Obbichtse historie. Aan dit volksvoedsel heeft hij een ballade gewijd. Herman voelde zich ook thuis in de rol van Uilenspiegel. De boodschap en moraal verpakte hij steeds in aansprekende en ludieke teksten. Zo wist hij een groot publiek te bereiken en bewust te maken van onderhuids racisme en geweld. We denken hierbij ook aan zijn dialoog tussen twee Fortuna-supporters die laatstelijk werd opgevoerd in het Sittardse café-chantant Chez-Zef.

Een meesterstuk was De Heks van Limborgh door Herman geschreven bij gelegenheid van Sittard 750 jaar stad in 1993. Een aanklacht tegen machtsmisbruik van de overheid jegens de vrouw en de zwakkeren in de samenleving. Herman rehabiliteerde met deze dramatisering Entgen Luyten die in 1674 bij een heksenproces op het kasteel Limbricht is omgekomen. Het was een voldoening voor hem te vernemen dat het vorig jaar een straat in Einighausen naar Entgen werd genoemd. Tot in België toe hield hij lezingen over de heksenwaanzin waarvan hij een uitputtende studie had gemaakt. De ondergeschikte positie van de vrouw in kerk en maatschappij is voor Herman altijd een steen des aanstoots geweest. En hiermee noemen we een derde thema in zijn werk: de rol van de vrouw. Velen is het protestlied van de vrouwen uit bovengenoemd Obbichts spektakelstuk tegen het oorlogsgeweld bijgebleven: De mansluuj zulle weite dat vrouwe ouch besjtaon.

Religie

Herman was ook een religieus iemand. Hij was actief betrokken bij de vieringen in zijn geliefde parochie Vrangendael te Sittard. Hier voelde hij zich thuis in de gespreksgroepen waar men zich boog over de bijbel. Befaamd waren zijn optredens in de diensten met vastenavond, waarbij hij zichzelf op de gitaar begeleidde. Ook schreef hij diverse eenakters voor parochieavonden en priesterjubilea. Veel ouderen bewaren mooie herinneringen aan de Goede-Vrijdagvieringen in het zorgcentrum De Baenje waar Herman jaarlijks optrad. Ook moet genoemd worden zijn betrokkenheid bij de derde wereld. Alleen intimi weten, dat al de verdiensten van zijn optredens naar pater Carlos Mesters in Brazilië gingen.

Obbicht en Limburg

De verslagenheid in Obbicht en bij zijn bewonderaars in heel Limburg was groot bij het bericht van het overlijden van Herman Veugelers. Vooral zijn vrienden van het Ecrevissecomité, dat hij in 1977 mee hielp oprichten zullen hem missen. Dit geldt nog meer voor de spelers en medewerkers van het theater Op de Beek, dat mede door hem groot is geworden. Begin oktober vindt de eerste reeks opvoeringen plaats van zijn laatste voltooide stuk Es ene kwakkert os wilt zeen. Herman was bij de laatste vier repetities aanwezig en heeft ontzettend gelachen en zich verkneukeld over de komische situaties die hij zijn publiek weer heeft voorgeschoteld. Ook was hij vol lof over de aanpak van de nieuwe regisseuse. Helaas zal hij de première van dit stuk en de opvoering van het nieuwe stuk dat hij bijna had voltooid niet meer mogen meemaken. Het binnenkort te verschijnen herinneringsboek aan het feest van 1999 in Obbicht waarin ook de tekst van zijn toneelstuk is opgenomen, krijgt door zijn overlijden een andere dimensie. In 1954 en 1979 speelde Herman zelf de rol van de Obbichtse schrijver Pieter Ecrevisse (1804-1879) tijdens een openluchtspel dat handelde over diens leven. Herman was de motor van het Ecrevissecomité. Hij organiseerde exposities als de legendarische Kiekoscoop (1979) op het kasteel en in 1999 op de basisschool te Obbicht Oranje in ’t Törp.
In de jaren ’60 en ’70 was Herman Veugelers dé Limburgse protestzanger die bij de ROZ een gewaardeerd podium had. Deze Limburgse omroep bracht bij haar 30-jarig bestaan de L.P. De Saneringsroute uit met zijn kritische en ironische liedjes. Hij rekende hiermee af met het geromantiseerde beeld van Limburg dat de traditionele troubadours gaven. Hits werden: Wo mien mooder mich gelaerd haet om te laeve, vilt ’t laeve om de nondedjuu neet mit en Nölke Sjmeets wilt renner waere. Hij was het idool van vele kritische jongeren uit de roerige jaren 60. Ook bij Radio Limburg en het tegenwoordige L1 werd Herman veel gevraagd.

Toneelregisseur Jos Prop noemde hem voor L1- radio een man als de schrijver Louis Paul Boon, die de mensen wilde schoppen tot ze een geweten kregen. Ook Herman Veugelers dwong de Limburgers tot kritisch nadenken en eerlijkheid. Het kan geen toeval zijn dat op de dag van de uitvaart van Herman Veugelers boven het Obbichts monument aan de Maas een vlucht wilde ganzen werd gesignaleerd. Deze ganzen waren voor hem het symbool voor vrijheid en gerechtigheid. Hij heeft zijn hele leven deze idealen verkondigd. Na de aangrijpende uitvaartdienst in Vrangendael op 31 juli 2000 zong Herman nog eenmaal via de band het lied over zijn leven met als refrein

Laot mich noe mer vertrèkke
Nao det vraemde sjtille lentj
Want zonger mich kènt geer auch bes wal laeve.
Ich zeen ‘m dao al wènke op mich aan d’n euverkentj
Om mich eindelijk mien vrae en rös te gaeve


h.v. 1978

Aanmelden nieuwsbrief

Meld je aan voor de gratis nieuwsbrief. Velden met een * zijn verplicht.